vrijdag, 11 juni 2010
Ruimte zoekt Programma - het resultaat
29 mei jl. organiseerde BVR een middagprogramma ter ere van het 40 jarig bestaan van De Architect met de titel: Ruimte zoekt Programma. Een aantal relevante thema's voor de toekomst en de verdere ontwikkeling van het vak stonden deze middag centraal. De middag leverde in ieder geval het bewijs dat stedenbouwers, planologen, ontwerpers, etc. wel degelijk met elkaar kunnen discussiëren en debatteren.
Ruimte zoekt programma
In een discussie o.l.v. Peter van Rooij en Hilde Blank gaf het publiek de volgende statements mee voor de toekomst.
1. Regie en prioritering op metaschaal; ruimte en flexibiliteit voor eigen initiatieven en ontwikkeling onderop
Er is behoefte aan sturing van bovenaf voor wat betreft gebiedsoverstijgende opgaven (water, infrastructuur, landschap). Met het schrappen van de vijfde nota is het ontwerpen op de metaschaal verdwenen. De vakgemeenschap vraagt hier aandacht voor. Tegelijkertijd is er behoefte aan ruimte voor eigen initiatief en ontwikkelingen van onderaf. Daarvoor is een vereenvoudiging van besluitvormingsprocedures nodig en een flexibele houding ten aanzien van de wet- en regelgeving.
2. Heroverweging van pijplijnprojecten
De tijd van groei en het zoeken van ruimte voor programma is voorbij. De komende periode is het motto: Ruimte zoekt programma. Er zijn veel plekken in Nederland die een kwaliteitsverbetering nodig hebben en plekken met intrinsieke waarde die beter benut kunnen worden. Echter de grondposities die de afgelopen jaren zijn ingenomen, de bouwclaims en de mogelijkheden die bestemmingsplannen bieden voor nieuwe projecten maakt dat kansen niet worden benut en ongewenste ontwikkelingen plaatsvinden. De schaarste aan programma vraagt een strategische benadering waar welk programma de meeste meerwaarde biedt. Dit vraagt om een bovenlokale afstemming en regie.

3. Van bestemmingsplannen naar ontstemmingsplannen of herbestemmingsplannen
Pleidooi: In Nederland kennen we de procedure van bestemmingsplannen. In het kader van krimp, de afname van de groei en de focus op ruimtelijke kwaliteit is de tijd aangebroken om te kijken naar gebieden die een andere functie moeten krijgen. Dit kan een functie zijn op gebied van landschap, water, energiewinning waardoor het bestaande/omliggende vastgoed aan waarde stijgt. Het kan ook door gebieden geen bestemming te geven waardoor meer uitdaging en ruimte ontstaat voor initiatieven vanuit het gebied zelf.
4. Van grootschalige gebiedsontwikkeling naar duurzame gebiedsontwikkeling waarin programmasturing centraal staat. Gebiedsregie op de hoge schaal, ontwikkelingen op de lage schaal. Hiervoor zijn nieuwe instrumenten nodig, geen allesomvattend ontwerp. En het planeconomisch model moet worden ingericht op lange termijn winst.
5. Van grand design en blauwdrukplannen naar ruimtelijke verkenningen en ontwikkelstrategieën.
6. Het mobiliteitsbeleid vraagt nog steeds om slimme concepten i.p.v. asfaltuitbreiding.
7. Kennisontwikkeling is heel belangrijk. Het vak ruimtelijke ordening moet zich verder kunnen ontwikkelen om de grote opgaven waar we voor staan in dit land en Europa (klimaat, voedsel, energie, water, etc.) aan te kunnen pakken. Interdisciplinariteit en de ontwikkeling van nieuwe ontwerptools zijn nodig.
Ruimte voor krimp
In het krimpdebat zaten Lex de Boer van de SEV, Dirk van Peijpe van De Urbanisten en Marcel Musch van BVR aan tafel. In drie korte rondes, waarin krimp op de verschillende schaalniveaus aan bod kwam (nationaal, regionaal en stedelijk), voedden zij de discussie met de zaal. Huishoudenskrimp komt tot 2040 weinig voor (dus nog geen dramatische leegstand te verwachten). Bevolkingskrimp komt al veel voor en zal sterk toenemen.
De vraag die sterk naar voren kwam was: Is krimp een ruimtelijk vraagstuk?". Het is in ieder geval een economisch vraagstuk. Er moet meer samenhang komen tussen economische en demografische dynamiek. Het vak stedenbouw was altijd op groei gebaseerd. Het gaat bij krimp om het ontwikkelen van waardebehoud. Er moeten ook ‘ontbouwingsplannen' gemaakt worden. Er zijn verdichting- en verdunningstrategieën nodig.

Er zijn nu drie houdingen te onderkennen in de omgang met krimp. De eerste is die van ongeloof en ontkenning, zoals in de gemeente Delfzijl. De tweede is de bestrijding van krimp met groeiplannen, waardoor gemeenten tegen elkaar op concurreren en uiteindelijk iedereen verliest. En tot slot acceptatie en overgaan op de filosofie van vermeerderen door verminderen.
Om krimp goed aan te pakken zijn er nu teveel bestuurlijke lagen. De opgave moet op landelijke niveau worden aangestuurd, maar lokaal worden ingevuld: met kleinschalige ontwikkelingen. Regionale afstemming is essentieel: er moet een keuze worden gemaakt voor concentratiekernen en kernen die op slot gaan en waar krimp wordt begeleid, bijvoorbeeld door specialisatie. Hier ligt meer een programma dan een ruimtelijke opgave.
Misschien moeten we in Nederland ook eens durven om plekken te laten ‘verloederen', in tegenstelling tot alles willen regelen en plannen.
Ontwerpen aan landschap
Aan de hand van een tentoonstelling met daarin maquettes en beelden van het onderzoek van bureau van Paridon&de Groot naar de morgelijkheden die windturbines bieden om de ruimtelijke kwaliteit te versterken in Overijssel, het project Duin in Almere van Amvest, Park Supermarkt van Van Bergen Kolpa Architecten en diverse BVR projecten zoals Park21, konden bezoekers hun stelling over het landschap poneren.
Een bloemlezing:
We hebben in Nederland 12% stad en 12% natuur. De rest zit hier ergens tussenin. Voor een groot deel is dat nog in agrarisch gebruik, waar grote veranderingen zijn te verwachten. Als Nederland 100% landschap is, dan is die kleine 75% een formidabele opgave. We moeten daarom van enkel inpassingvraagstukken naar de vorming van een nieuw landschap. Naar landschap als systeem i.p.v. vorm.

Landschap is mede het resultaat van economisch handelen. Nieuwe vormen van ecomomie kunnen nieuwe landschappen opleveren. Zorg ook dat toekomstige landschappen een opbrengst genereren (voedsel, energie, schoon water, grondwaarde).
Grote opgaven (water, klimaat, energie, voedsel, ...) vragen om lokaal ondernemerschap.
Maak echte energielandschappen i.p.v. windparken. Benut de diversiteit aan energiebronnen.
Door 3D vorm te geven aan water onstaan onderwaterlandschappen die veel kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.
Onderzoek de wensen ten aanzien van landschap van verschillende doelgroepen. Wat heeft de jeugd van tegenwoordig met landschap? En hoe kijkt een immigrant naar onze Nederlandse landschappen?
Stad op maat
Welke oplossingen zijn nodig voor het toekomstbestendig maken van een jaren 70/80 wijk? Jan Winsemius van bureau Middelkoop gaf als start van deze discussie een overzicht van de opgaven in de bloemkoolwijken in Nederland . Deze opgaven zijn ruimtelijk en sociaal demografisch van aard, zoals de schrale en stenig openbare ruimte, het parkeren, de grote hoeveelheid restruimtes, de verborgen kwaliteiten, de prévergrijzing en stagnerende woningprijzen. Harmen van der Wal van bureau Krill en Liliane Geerling van BVR lichtten de resultaten van atelier 7UP toe, waarin werd onderzocht welke ruimte een jaren 70/80 wijk biedt voor verduurzaming.

Hiervoor ontwikkelde zij vanuit verschillende analyses (stromen optimalisatie, het ecosysteem versterken en de sociale duurzaamheid) ruimtelijke patronen die een wijk op verschillende schaalniveaus kunnen verduurzamen zonder grootschalige sloop. Deze wijken bieden veel ruimte voor innovatieve parkeeroplossingen, voor decentrale waterzuivering, voor woonlandschappen, voor activering van de groenstructuur en voor afname van verharding. De liefde voor de bloemkoolwijk onder stedenbouwers moet duidelijk nog groeien. Niemand van de meer dan 50 aanwezigen woont in een wijk uit de jaren 70/80!
Ruimtelijke kwaliteit en mobiliteit
Het thema Ruimtelijke kwaliteit en mobiliteit werd verkend door ‘analoog' te gamen aan de A4. De werelden van verkeer en ruimtelijke ordening komen steeds dichter bij elkaar te staan. De integratie van mobiliteit en ruimtelijke ontwikkeling is recentelijk onder meer geconcretiseerd door toevoeging van de ruimtelijke component aan het Meerjaren Investeringsprogramma Infrastructuur (MIRT). Integrale benadering van de opgaven en gezamenlijke verkenning van de kansen biedt mogelijkheden voor versterking van de kwaliteit van de leefomgeving. Toch is de samenwerking niet vanzelfsprekend en zoeken zowel verkeerskundigen als ontwerpers naar de invulling van hun rol in het gezamenlijke traject.
De centrale opgave die is uitgediept is: wat als de ontwerper de lead krijgt in deze gezamenlijke trajecten, welke nieuwe kansen gloren er dan? Het decor is de luchtfoto van de A4 van Rotterdam tot Amsterdam die naar aanleiding van de varianten en sleutelprojecten meetransformeert. Luca Bertolini reflecteerde op de inhoudelijke input van onder andere Karen van Vliet en Arnoud Siemonsma van BGSV, Florian Boer van De Urbanisten, Thomas Straatemeier van Goudappel Coffeng / UvA, Paul Gerretse van de Deltametropool en Sacha Maarschall en Marnix de Vos van BVR.

De A4 is een weg met veel kwaliteit en een mooie landschappelijke inbedding. Door meer selectiviteit en gebruik van parallelle netwerken (spoor, A4 en A13, dwarsroutes) ontstaan kansen voor een specifieke programmatische ontwikkeling in de brede zone rond de A4, afgestemd op de lokale kansen. Het programmeren en herkenbaar maken van de afslagen en het verbinden van de snelle en trage wereld of juist het extreem scheiden hiervan (weg op poten) levert nieuwe kansen op.
Tijdens de sessie werd vastgesteld dat er nog steeds een groot cultuur- en taalverschil is tussen ruimtelijk ontwerpers en infrastructuurdeskundigen. Het is van belang dat we elkaars taal leren spreken. Dan kan door meer samenwerking tussen de verschillende organisaties, maar kan ook door inbreng van andere vakgebieden intern in de organisatie.
Om succesvolle infrastructuurprojecten van de grond te krijgen zijn mooie plaatjes onvoldoende. De urgentie moet hoog zijn, de partijen moeten dezelfde kant opkijken. Ook het economisch belang moet goed inzichtelijk gemaakt worden. Centrale regie is nodig, maar moet gevoed worden met lokale kwaliteiten en aanhaken op de lokale opgaven.
Ontwerpers kunnen een belangrijke rol spelen in verschillende fasen van het proces. Door het verhaal op te bouwen, de cruciale opgaven in beeld te brengen, door het bij elkaar brengen van de verschillende partijen. Door goed te luisteren naar en door het optekenen van belangen van die partijen en het schetsen van de verschillende oplossingsrichtingen en wervende beelden kan de discussie aangejaagd worden. Ruimtelijk ontwerpers hebben de kracht door de schalen en door de sectoren heen verbanden te leggen.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

